Veehouderij, geschiedenis en politiek

De Nederlandse veeboer kent een lange geschiedenis. De koe maakt immers een belangrijk onderdeel uit van de Nederlandse identiteit, zoals ook de houten klompen en de windmolen. De klompen staan in het museum, maar de windmolens lijken een tweede leven te gaan krijgen. Hoe vergaat het de Nederlandse veeboer? De veeboer is flink in de problemen is gekomen met zijn omgeving. Zou dat ook weer goed kunnen komen?

Veehouderij, geschiedenis en politiek

 

De Nederlandse veeboer kent een lange geschiedenis. De koe maakt immers een belangrijk onderdeel uit van de Nederlandse identiteit, zoals ook de houten klompen en de windmolen. De klompen staan in het museum, maar de windmolens lijken een tweede leven te gaan krijgen. Hoe vergaat het de Nederlandse veeboer? De veeboer is flink in de problemen is gekomen met zijn omgeving. Zou dat ook weer goed kunnen komen?

 

Over de veehouderij is veel te doen, maar weinig goed bekend. Journalisten komen zelden verder dan de boer die het bedrijfseconomisch moeilijk zou hebben. Ook veel politici blijken ronduit slecht geïnformeerd, terwijl zij wel verstrekkende beslissingen nemen. Laat staan dat burgers het verhaal compleet hebben. 

 

Bekend zijn de zorgen over de melkkoeien die verdwijnen uit de wei, megastallen, stankoverlast, Q-koorts, natuurschade. En natuurlijk dat de boeren het bedrijfseconomisch moeilijk zouden hebben. De opvattingen hierover zijn dikwijls eenzijdig en gepolariseerd, niet in de laatste plaats doordat plattelandspolitiek een eigen dynamiek toont binnen de reguliere politieke cultuur. Meningen overstemmen vaak de feiten. Wat is het verhaal hier achter?


In vogelvlucht: iedereen kent het ouderwetse gemengde bedrijf: akkerbouw, melkkoeien, en dan nog wat kippen en varkens. Vooral sinds de jaren zestig zijn veel boeren uitsluitend vee gaan houden, en dan vaak een enkele diersoort. Sindsdien is het hard gegaan, ook in bedrijfsomvang. Van honderden varkens per bedrijf naar tienduizenden tegenwoordig. Van duizenden kippen per bedrijf naar honderdduizenden tegenwoordig. Het totaal aantal landbouwdieren in Nederland nam toe tot ongekend hoge aantallen; 5 miljoen koeien, 16 miljoen varkens en 100 miljoen kippen. Ter vergelijking: in geen land ter wereld is ooit een dergelijke concentratie dieren gehouden. Het houden van deze aantallen dieren geeft dan ook problemen. Flinke problemen.

 

Problemen voor de woonkwaliteit van omwonenden: de stankhinder van kleine bedrijven geeft voor omwonenden een beetje stankhinder, de geuremissies van grote bedrijven geeft potentieel geweldig veel geurhinder. Maar ook landschappelijke problemen: tienduizenden volumineuze bedrijfsgebouwen zonder veel planning en zonder enige kwaliteitswaarde. In beleidsjargon: verrommeling en verstening van het landschap. Maar ook treedt ernstige schade op voor natuur- en waterkwaliteit: de kolossale hoeveelheden mest van genoemde aantallen dieren blijken onverenigbaar met natuur- en waterkwaliteitszorg. En sinds kort kunnen we ook niet om de gezondheidrisico's heen. Q-koorts was enkele jaren geleden voor het grote publiek nog volkomen onbekend.  
De meeste van deze problemen zijn in de jaren tachtig in volle omvang zichtbaar geworden. Wat is er sindsdien gebeurd?

 

De veeboer en de politiek

 

Geen bedrijfssector is zo verweven met de overheid als de boerensector. Tussen 2003 en 2005 ontving de LTO een bedrag van ten minste 20 miljoen euro subsidies voor talloze projecten. MOB beschikt over deze subsidielijst. De relatie tussen de LTO en de overheid heeft een historische achtergrond. De stabiliteit van de samenleving is direct afhankelijk van een stabiele voedselvoorziening. In de afgelopen decennia is vooral door technische ontwikkeling veel veranderd. Daarbij worden stevige pogingen gedaan om ook de boerensector zonder staatsinmenging te laten werken. WTO, globalisering enzovoort. In de veesector geeft dit een scherp schisma. Enerzijds de meer traditionele veehouder, met persoonlijke affiniteit voor zijn producten en dieren, meestal een gezinsbedrijf. Deze bedrijfsvoering legt het echter steeds meer af tegen de industrieel werkende veehouder, de megaveeboeren. Het zijn deze ondernemers, voortdurend gericht op schaalvergroting en kostprijsverlaging, die met hun megastallen (vroeger ook 'mammoetbedrijven' geheten) grote weerstand oproepen. Deze ondernemers drukken de gezinsbedrijven geleidelijk weg. De megaboer zal de kleine boer vaak een "domme" boer vinden.

 

Zijn megastallen nu onvermijdelijk? Waarom staat de overheid die eventueel stallen toe? En, hoe verhouden die megastallen zich tot de hiervoor genoemde milieuproblemen? 

 

Zoals gezegd: de boer en de overheid zijn bijna met elkaar getrouwd, en voorlopig zeker niet van elkaar gescheiden. De veeboeren wordt in verhouding uitzonderlijk veel ruimte gelaten in de politiek. In de Tweede Kamer lopen met name aan de rechterzijde altijd enkele veeboeren rond. LTO en verwante organisaties hebben zeer korte lijntjes naar de politiek, en ontvangen tot op heden ook grote sommen subsidie. Tot voor kort had de landbouw een eigen ministerie. Wethoudersposten in agrarische gemeenten worden regelmatig bezet door (vee)boeren. En dan bij voorkeur natuurlijk de portefeuille 'Milieu en Ruimtelijke Ordening'. 

Dit alles zou niet erg hoeven zijn, indien de niet-agrarische belangen met gelijke kracht zou zijn vertegenwoordigd, zoals ook werkgevers- en werknemersorganisaties elkaar in evenwicht houden. Maar daar gaat het mis. Goed mis. Hoe zit dat?

 

Het aantal veeboeren is in 25 jaar bijna gehalveerd: van 75.000 in 1985 naar ruim 40.000 in 2010. Maar: het totaal aantal dieren is in de afgelopen 10 jaar gelijk gebleven. Alle dieren van de stakende bedrijven zijn verplaatst naar de resterende bedrijven. Dit is het gevolg van door de staat in het leven geroepen productierechten (mestproductierechten krachtens de meststoffenwet voor kippen en varkens en melkproductierechten voor melkvee). Dus, ja: het aantal veeboeren neemt af. Maar het aantal gehouden dieren is gelijk gebleven. De dieren zijn verplaatst naar de resterende bedrijven. De veehouderijbedrijven worden steeds groter. En daarmee ontstaat een steeds groter knelpunt met de directe omgeving.  

 

Hierbij geldt dat evenveel burgerwoningen zijn ontstaan in het buitengebied als dat er bedrijven zijn gestaakt. Dit gaat dus om tienduizenden woningen. Dit naast de vele tienduizenden burgers die al van oudsher op het platteland zijn gevestigd. Deze mensen zijn politiek geheel ongeorganiseerd. Hun belangen worden niet gehoord.

 

Maar het buitengebied herbergt nog veel meer belangen. Hieronder uiteenlopende agrarische belangen, bijvoorbeeld nichebedrijven die zich meer op kwaliteitsproducten richten. Of de recreatiebelangen in het buitengebied. Al deze belangen zijn nauwelijks, en dan enkel indirect, politiek vertegenwoordigd.

 

En dan zijn er nog wat natuur- en milieuorganisaties. Wie de politiek enigszins volgt zal moeten vaststellen dat zij weinig politiek gewicht in de schaal leggen, zeker niet waar het de plattelandspolitiek betreft.

 

Ook geldt dat de politieke partijen aan de linkerzijde weinig achterban op het platteland zien, en daarom bij plattelandsbelangen weinig kennis en affiniteit hebben ontwikkeld. De partijen aan de linkerzijde bieden daarom de facto geen noemenswaardig politiek weerwerk. Vastgesteld moet worden dat de veehouderijbelangen tot nu toe politiek nauwelijks op wezenlijke weerstand is gestoten. Met de de Reconstructiewet als dekmantel is volgens MOB sprake van niets minder dan een staatgreep op delen van het platteland, met als doel een varkensboeren-vrijstaat. Daar dienen alle bestaande bewoners en gebruikers hun biezen dienen te pakken, of in ieder geval hun mond te houden. De intensieve veehouderij ontpopt zich momenteel als een heus koekoeksjong.

 

Zie ook elders op deze website onder "Mestvergisters"


Lees meer

Veehouderij, geschiedenis en politiek

De Nederlandse veeboer kent een lange geschiedenis. De koe maakt immers een belangrijk onderdeel uit van de Nederlandse identiteit, zoals ook de houten klompen en de windmolen. De klompen staan in het museum, maar de windmolens lijken een tweede leven te gaan krijgen. Hoe vergaat het de Nederlandse veeboer? De veeboer is flink in de problemen is gekomen met zijn omgeving. Zou dat ook weer goed kunnen komen?

Veehouderij, geschiedenis en politiek

 

De Nederlandse veeboer kent een lange geschiedenis. De koe maakt immers een belangrijk onderdeel uit van de Nederlandse identiteit, zoals ook de houten klompen en de windmolen. De klompen staan in het museum, maar de windmolens lijken een tweede leven te gaan krijgen. Hoe vergaat het de Nederlandse veeboer? De veeboer is flink in de problemen is gekomen met zijn omgeving. Zou dat ook weer goed kunnen komen?

 

Over de veehouderij is veel te doen, maar weinig goed bekend. Journalisten komen zelden verder dan de boer die het bedrijfseconomisch moeilijk zou hebben. Ook veel politici blijken ronduit slecht geïnformeerd, terwijl zij wel verstrekkende beslissingen nemen. Laat staan dat burgers het verhaal compleet hebben. 

 

Bekend zijn de zorgen over de melkkoeien die verdwijnen uit de wei, megastallen, stankoverlast, Q-koorts, natuurschade. En natuurlijk dat de boeren het bedrijfseconomisch moeilijk zouden hebben. De opvattingen hierover zijn dikwijls eenzijdig en gepolariseerd, niet in de laatste plaats doordat plattelandspolitiek een eigen dynamiek toont binnen de reguliere politieke cultuur. Meningen overstemmen vaak de feiten. Wat is het verhaal hier achter?


In vogelvlucht: iedereen kent het ouderwetse gemengde bedrijf: akkerbouw, melkkoeien, en dan nog wat kippen en varkens. Vooral sinds de jaren zestig zijn veel boeren uitsluitend vee gaan houden, en dan vaak een enkele diersoort. Sindsdien is het hard gegaan, ook in bedrijfsomvang. Van honderden varkens per bedrijf naar tienduizenden tegenwoordig. Van duizenden kippen per bedrijf naar honderdduizenden tegenwoordig. Het totaal aantal landbouwdieren in Nederland nam toe tot ongekend hoge aantallen; 5 miljoen koeien, 16 miljoen varkens en 100 miljoen kippen. Ter vergelijking: in geen land ter wereld is ooit een dergelijke concentratie dieren gehouden. Het houden van deze aantallen dieren geeft dan ook problemen. Flinke problemen.

 

Problemen voor de woonkwaliteit van omwonenden: de stankhinder van kleine bedrijven geeft voor omwonenden een beetje stankhinder, de geuremissies van grote bedrijven geeft potentieel geweldig veel geurhinder. Maar ook landschappelijke problemen: tienduizenden volumineuze bedrijfsgebouwen zonder veel planning en zonder enige kwaliteitswaarde. In beleidsjargon: verrommeling en verstening van het landschap. Maar ook treedt ernstige schade op voor natuur- en waterkwaliteit: de kolossale hoeveelheden mest van genoemde aantallen dieren blijken onverenigbaar met natuur- en waterkwaliteitszorg. En sinds kort kunnen we ook niet om de gezondheidrisico's heen. Q-koorts was enkele jaren geleden voor het grote publiek nog volkomen onbekend.  
De meeste van deze problemen zijn in de jaren tachtig in volle omvang zichtbaar geworden. Wat is er sindsdien gebeurd?

 

De veeboer en de politiek

 

Geen bedrijfssector is zo verweven met de overheid als de boerensector. Tussen 2003 en 2005 ontving de LTO een bedrag van ten minste 20 miljoen euro subsidies voor talloze projecten. MOB beschikt over deze subsidielijst. De relatie tussen de LTO en de overheid heeft een historische achtergrond. De stabiliteit van de samenleving is direct afhankelijk van een stabiele voedselvoorziening. In de afgelopen decennia is vooral door technische ontwikkeling veel veranderd. Daarbij worden stevige pogingen gedaan om ook de boerensector zonder staatsinmenging te laten werken. WTO, globalisering enzovoort. In de veesector geeft dit een scherp schisma. Enerzijds de meer traditionele veehouder, met persoonlijke affiniteit voor zijn producten en dieren, meestal een gezinsbedrijf. Deze bedrijfsvoering legt het echter steeds meer af tegen de industrieel werkende veehouder, de megaveeboeren. Het zijn deze ondernemers, voortdurend gericht op schaalvergroting en kostprijsverlaging, die met hun megastallen (vroeger ook 'mammoetbedrijven' geheten) grote weerstand oproepen. Deze ondernemers drukken de gezinsbedrijven geleidelijk weg. De megaboer zal de kleine boer vaak een "domme" boer vinden.

 

Zijn megastallen nu onvermijdelijk? Waarom staat de overheid die eventueel stallen toe? En, hoe verhouden die megastallen zich tot de hiervoor genoemde milieuproblemen? 

 

Zoals gezegd: de boer en de overheid zijn bijna met elkaar getrouwd, en voorlopig zeker niet van elkaar gescheiden. De veeboeren wordt in verhouding uitzonderlijk veel ruimte gelaten in de politiek. In de Tweede Kamer lopen met name aan de rechterzijde altijd enkele veeboeren rond. LTO en verwante organisaties hebben zeer korte lijntjes naar de politiek, en ontvangen tot op heden ook grote sommen subsidie. Tot voor kort had de landbouw een eigen ministerie. Wethoudersposten in agrarische gemeenten worden regelmatig bezet door (vee)boeren. En dan bij voorkeur natuurlijk de portefeuille 'Milieu en Ruimtelijke Ordening'. 

Dit alles zou niet erg hoeven zijn, indien de niet-agrarische belangen met gelijke kracht zou zijn vertegenwoordigd, zoals ook werkgevers- en werknemersorganisaties elkaar in evenwicht houden. Maar daar gaat het mis. Goed mis. Hoe zit dat?

 

Het aantal veeboeren is in 25 jaar bijna gehalveerd: van 75.000 in 1985 naar ruim 40.000 in 2010. Maar: het totaal aantal dieren is in de afgelopen 10 jaar gelijk gebleven. Alle dieren van de stakende bedrijven zijn verplaatst naar de resterende bedrijven. Dit is het gevolg van door de staat in het leven geroepen productierechten (mestproductierechten krachtens de meststoffenwet voor kippen en varkens en melkproductierechten voor melkvee). Dus, ja: het aantal veeboeren neemt af. Maar het aantal gehouden dieren is gelijk gebleven. De dieren zijn verplaatst naar de resterende bedrijven. De veehouderijbedrijven worden steeds groter. En daarmee ontstaat een steeds groter knelpunt met de directe omgeving.  

 

Hierbij geldt dat evenveel burgerwoningen zijn ontstaan in het buitengebied als dat er bedrijven zijn gestaakt. Dit gaat dus om tienduizenden woningen. Dit naast de vele tienduizenden burgers die al van oudsher op het platteland zijn gevestigd. Deze mensen zijn politiek geheel ongeorganiseerd. Hun belangen worden niet gehoord.

 

Maar het buitengebied herbergt nog veel meer belangen. Hieronder uiteenlopende agrarische belangen, bijvoorbeeld nichebedrijven die zich meer op kwaliteitsproducten richten. Of de recreatiebelangen in het buitengebied. Al deze belangen zijn nauwelijks, en dan enkel indirect, politiek vertegenwoordigd.

 

En dan zijn er nog wat natuur- en milieuorganisaties. Wie de politiek enigszins volgt zal moeten vaststellen dat zij weinig politiek gewicht in de schaal leggen, zeker niet waar het de plattelandspolitiek betreft.

 

Ook geldt dat de politieke partijen aan de linkerzijde weinig achterban op het platteland zien, en daarom bij plattelandsbelangen weinig kennis en affiniteit hebben ontwikkeld. De partijen aan de linkerzijde bieden daarom de facto geen noemenswaardig politiek weerwerk. Vastgesteld moet worden dat de veehouderijbelangen tot nu toe politiek nauwelijks op wezenlijke weerstand is gestoten. Met de de Reconstructiewet als dekmantel is volgens MOB sprake van niets minder dan een staatgreep op delen van het platteland, met als doel een varkensboeren-vrijstaat. Daar dienen alle bestaande bewoners en gebruikers hun biezen dienen te pakken, of in ieder geval hun mond te houden. De intensieve veehouderij ontpopt zich momenteel als een heus koekoeksjong.

 

Zie ook elders op deze website onder "Mestvergisters"


Lees meer