1 maart 2018: Oost­vaar­ders­plas­sen

TROUW bericht 1 maart 2018: "Ophef geeft de doorslag: extra eten voor dieren Oost­vaar­ders­plas­sen". Ik laat hier beter het antwoord op de vraag of bijvoeren juist is, rusten. Daar hebben anderen al voldoende over gezegd en geschreven, onder andere ook in de TROUW. Hier wil ik me vooral richten op het gegeven dat dit onderwerp gekaapt is door een heel klein groepje mensen, en op hun mogelijke motieven. 

Een klein groepje mag natuurlijk proberen natuurbeleid te kapen. Daarin zit niet het probleem. Probleem is wel dat het openbaar bestuur (Provinciebestuur Flevoland) daarop zwaar wankelmoedig reageert. Plotseling besluit ze het tegenovergestelde te gaan doen van wat ze eerst deed (wel voeren in plaats van niet voeren), met daarbij bovendien de mededeling dat het niet goed is dat ze dat doet. Dat roept veel vragen op. Op grond waarvan kan eerder ingezet beleid (niet voeren) plotseling omgeklapt worden naar het tegendeel (wel voeren)? En, heeft het natuurbelang nog wel enig gewicht in deze beslissing?

Het provinciebestuur zegt dat hun besluit om het bijvoerbesluit te wijzigen vooral is ingegeven om de angel uit het conflict te halen, nu ook ambtenaren zouden zijn bedreigd. Maar dat maakt het wankelmoedig karakter van het openbaar bestuur enkel sterker. Daarmee is dan niet alleen een besluit genomen dat voor het natuurbelang niet deugt, maar bovendien ook gewelddreiging beloont. Natuurbelangen worden zo steeds meer een speelbal van publieke emoties, waar het openbaar bestuur dan maar achteraan hobbelt. Is nog zwakker optreden denkbaar? Maar, tot zover schrijf ik weinig nieuws ten opzichte van wat anderen al schreven.    

Er lijkt in dit verhaal toch wel ook een positief element aanwezig. Er komen een aantal ongewone elementen samen, waardoor de posities van de verschillende standpunten duidelijker zichtbaar worden. Veeboeren die beweren tegen dierenleed op te treden, en de Partij voor de Dieren die moet uitleggen waarom ze tegen bijvoeren zijn, waarbij het uithongeren wordt aanvaard als consequentie. Oppervlakkig bekeken lijkt het de omgekeerde wereld. Toch zijn de posities coherent als we even verder kijken.  

Een belangrijk element in dit verhaal is dat in de meeste bijdragen hierover niet altijd een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen natuurbelang enerzijds en het belang van individuele dieren anderzijds. Wat mogelijk in het belang is van het individuele dier (niet verhongeren) is niet altijd ook een natuurbelang. Dat sommige burgers zich in hun opvatting sterk laten leiden door compassie met het individuele dier is inmiddels wel bekend, en uiteraard geoorloofd. Maar of met compassie voor het individuele dier ook natuurbelang wordt gediend, is een andere kwestie. Mensen die compassie tonen met een individueel dier kunnen niet claimen daarmee op te komen voor natuurbelangen. Overigens staat niet vast of het individuele dier altijd baat heeft bij een individuele benadering. Daar kom ik later op terug. Het is in ieder geval de verantwoordelijkheid van het openbaar bestuur emoties met betrekking tot het individuele dier niet altijd leidend te laten zijn in besluiten over natuurbeheer.   

In dat onderscheid tussen enerzijds natuurbelang en anderzijds het belang van het individuele dier zit een (cultureel) knelpunt. Veel mensen zien natuur via een individueel dier (een gevangen orca, een geboren pandabeer en wellicht zelfs ook via een ontsnapte koe die 'de vrijheid' zoekt). Natuur wordt dan niet gezien als een autonoom ecologische leefgemeenschap. Een groep veeboeren zijn in de Oostvaardersplassenprotesten opgetreden door met hun tractoren hooibalen te brengen. Veel veeboeren kunnen enkel naar dieren kijken zoals ze naar hun individuele landbouwhuisdieren kijken. Een paard of een koe, daar zorg je voor. Die laat je niet zichtbaar lijden. Natuurlijk is lijden bij veeboeren een rekkelijk begrip, want het wegnemen van pasgeboren kalfjes bij de moederkoe moet een drama zijn, en over het welzijn van plofkippen is inmiddels ook wel voldoende bekend. Maar, indien je daar aan voorbij gaat, - met bijvoorbeeld een houding van 'er moet brood op de plank, het leven is niet altijd een pretje' - geldt dat dieren verzorgd moeten worden. Het kapen van de veeboeren van de Oostvaardersplassenprotesten is daarom waarschijnlijk niet alleen maar een poging om een wit voetje te halen in de publieke opinie c.q een doortrapte politieke actie (al zal dat er ook wel in zitten); het toont ook het onvermogen van met name veel veeboeren om met natuur om te gaan. Natuur dient in ogen van veel agrariërs te worden gecultiveerd, woeste gronden vragen om ontwikkeling. Het verzet van die veeboeren is deels waarschijnlijk ook oprecht omdat zij natuur - lees: een autonome ecologische leefgebied, waarbij individuele dieren geheel hun eigen leven hebben, en kunnen omkomen van de honger - niet kunnen aanzien. Deze veeboeren zijn wellicht vergelijkbaar met ouders die hun kinderen niet vrij willen laten gaan als ze volwassen worden. Daarmee maken de Oostvaardersplassenprotesten ook een  cultuurconflict zichtbaar.  

Maar er is nog een belangrijk element in dit verhaal. In onder meer de Duinen en de Veluwe leven ook veel grote grazers. Die dieren verhongeren niet, maar uit die kuddes worden wel jaarlijks grote aantallen neergeschoten. Dat noemen de mensen 'faunabeheer'. Daarover is door anderen al betoogd dat dat voor de individuele dieren een trauma moet zijn, juist ook voor de dieren die niet worden afgeschoten. Ook dieren - en zeker zoogdieren - kennen immers sociale verbanden. Die sociale verbanden worden met afschot aan flarden geschoten. Dat kan onmogelijk in het belang van het individuele dier worden genoemd. Het argument bij de Oostvaardersplassen-beheer is dat er een wezenlijk lager aantal geboortes plaats heeft indien niet wordt bijgevoerd in de winter, en daardoor op grote schaal afschieten van dieren wordt vermeden. De juistheid van dat argument vraagt om kennis en onderzoek. Hoe dan ook: in geval van bijvoeren eindigt het leven van veel dieren door de kogel, en blijven andere dieren uit diezelfde leefgemeenschap achter. Het lijkt mij niet makkelijk te beslissen of afschieten het welzijn van het individuele dier beter dient dan verhongeren. 

Tot slot: er is uiteraard discussie mogelijk over de vraag in welke mate in Nederland autonome natuur realistisch is. Een antwoord op die vraag is pas mogelijk nadat eerst informatie en ervaring verzameld wordt. En dat is juist wat er momenteel wordt gedaan in de Oostvaardersplassen. Zonder die informatie kunnen geen goede beslissingen worden genomen. Naruurbeheer waarbij medeleven met individuele dieren op basis van incidenten bij voorbaat de doorslag geeft lijkt in ieder geval het domst denkbare natuurbeheer. En dom natuurbeheer kunnen we ons niet veroorloven nu we voor de cruciale opdracht staan om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren. Juist in het financieel en kennisrijke, maar ook dichtbevolkte Nederland spelen die vragen scherp. Dat Nederland dichtbevolkt is, ontslaat Nederland allerminst om hierin eigen antwoorden te zoeken. In tegendeel. Wat nu in Nederland speelt, speelt vaak ook elders. Of, zal elders steeds meer gaan spelen. Denk aan Afrika, waar momenteel op enorme schaal natuurgebieden ('woeste gronden') worden omgezet in cultuurgronden, niet zelden met expertise van de Wageningen Universiteit. 

De dillema's over 'autonome  natuur' en 'ingenieurnatuur' leven wereldwijd. Nederland, dat al zo lang geleden vrijwel al het land cultiveerde, heeft de verantwoordelijkheid antwoorden te vinden op vragen die de biodiversiteit raken, ook -of juist- in mensdichtbevolkte gebieden. Daarom is het standpunt van de Dierenpartij zo vreemd nog niet. Maar één ding staat wel vast  Wankelmoedig openbaar bestuur bij natuurzaken dient achter ons gelaten te worden. 

1 maart 2018: Oost­vaar­ders­plas­sen

TROUW bericht 1 maart 2018: "Ophef geeft de doorslag: extra eten voor dieren Oost­vaar­ders­plas­sen". Ik laat hier beter het antwoord op de vraag of bijvoeren juist is, rusten. Daar hebben anderen al voldoende over gezegd en geschreven, onder andere ook in de TROUW. Hier wil ik me vooral richten op het gegeven dat dit onderwerp gekaapt is door een heel klein groepje mensen, en op hun mogelijke motieven. 

Een klein groepje mag natuurlijk proberen natuurbeleid te kapen. Daarin zit niet het probleem. Probleem is wel dat het openbaar bestuur (Provinciebestuur Flevoland) daarop zwaar wankelmoedig reageert. Plotseling besluit ze het tegenovergestelde te gaan doen van wat ze eerst deed (wel voeren in plaats van niet voeren), met daarbij bovendien de mededeling dat het niet goed is dat ze dat doet. Dat roept veel vragen op. Op grond waarvan kan eerder ingezet beleid (niet voeren) plotseling omgeklapt worden naar het tegendeel (wel voeren)? En, heeft het natuurbelang nog wel enig gewicht in deze beslissing?

Het provinciebestuur zegt dat hun besluit om het bijvoerbesluit te wijzigen vooral is ingegeven om de angel uit het conflict te halen, nu ook ambtenaren zouden zijn bedreigd. Maar dat maakt het wankelmoedig karakter van het openbaar bestuur enkel sterker. Daarmee is dan niet alleen een besluit genomen dat voor het natuurbelang niet deugt, maar bovendien ook gewelddreiging beloont. Natuurbelangen worden zo steeds meer een speelbal van publieke emoties, waar het openbaar bestuur dan maar achteraan hobbelt. Is nog zwakker optreden denkbaar? Maar, tot zover schrijf ik weinig nieuws ten opzichte van wat anderen al schreven.    

Er lijkt in dit verhaal toch wel ook een positief element aanwezig. Er komen een aantal ongewone elementen samen, waardoor de posities van de verschillende standpunten duidelijker zichtbaar worden. Veeboeren die beweren tegen dierenleed op te treden, en de Partij voor de Dieren die moet uitleggen waarom ze tegen bijvoeren zijn, waarbij het uithongeren wordt aanvaard als consequentie. Oppervlakkig bekeken lijkt het de omgekeerde wereld. Toch zijn de posities coherent als we even verder kijken.  

Een belangrijk element in dit verhaal is dat in de meeste bijdragen hierover niet altijd een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen natuurbelang enerzijds en het belang van individuele dieren anderzijds. Wat mogelijk in het belang is van het individuele dier (niet verhongeren) is niet altijd ook een natuurbelang. Dat sommige burgers zich in hun opvatting sterk laten leiden door compassie met het individuele dier is inmiddels wel bekend, en uiteraard geoorloofd. Maar of met compassie voor het individuele dier ook natuurbelang wordt gediend, is een andere kwestie. Mensen die compassie tonen met een individueel dier kunnen niet claimen daarmee op te komen voor natuurbelangen. Overigens staat niet vast of het individuele dier altijd baat heeft bij een individuele benadering. Daar kom ik later op terug. Het is in ieder geval de verantwoordelijkheid van het openbaar bestuur emoties met betrekking tot het individuele dier niet altijd leidend te laten zijn in besluiten over natuurbeheer.   

In dat onderscheid tussen enerzijds natuurbelang en anderzijds het belang van het individuele dier zit een (cultureel) knelpunt. Veel mensen zien natuur via een individueel dier (een gevangen orca, een geboren pandabeer en wellicht zelfs ook via een ontsnapte koe die 'de vrijheid' zoekt). Natuur wordt dan niet gezien als een autonoom ecologische leefgemeenschap. Een groep veeboeren zijn in de Oostvaardersplassenprotesten opgetreden door met hun tractoren hooibalen te brengen. Veel veeboeren kunnen enkel naar dieren kijken zoals ze naar hun individuele landbouwhuisdieren kijken. Een paard of een koe, daar zorg je voor. Die laat je niet zichtbaar lijden. Natuurlijk is lijden bij veeboeren een rekkelijk begrip, want het wegnemen van pasgeboren kalfjes bij de moederkoe moet een drama zijn, en over het welzijn van plofkippen is inmiddels ook wel voldoende bekend. Maar, indien je daar aan voorbij gaat, - met bijvoorbeeld een houding van 'er moet brood op de plank, het leven is niet altijd een pretje' - geldt dat dieren verzorgd moeten worden. Het kapen van de veeboeren van de Oostvaardersplassenprotesten is daarom waarschijnlijk niet alleen maar een poging om een wit voetje te halen in de publieke opinie c.q een doortrapte politieke actie (al zal dat er ook wel in zitten); het toont ook het onvermogen van met name veel veeboeren om met natuur om te gaan. Natuur dient in ogen van veel agrariërs te worden gecultiveerd, woeste gronden vragen om ontwikkeling. Het verzet van die veeboeren is deels waarschijnlijk ook oprecht omdat zij natuur - lees: een autonome ecologische leefgebied, waarbij individuele dieren geheel hun eigen leven hebben, en kunnen omkomen van de honger - niet kunnen aanzien. Deze veeboeren zijn wellicht vergelijkbaar met ouders die hun kinderen niet vrij willen laten gaan als ze volwassen worden. Daarmee maken de Oostvaardersplassenprotesten ook een  cultuurconflict zichtbaar.  

Maar er is nog een belangrijk element in dit verhaal. In onder meer de Duinen en de Veluwe leven ook veel grote grazers. Die dieren verhongeren niet, maar uit die kuddes worden wel jaarlijks grote aantallen neergeschoten. Dat noemen de mensen 'faunabeheer'. Daarover is door anderen al betoogd dat dat voor de individuele dieren een trauma moet zijn, juist ook voor de dieren die niet worden afgeschoten. Ook dieren - en zeker zoogdieren - kennen immers sociale verbanden. Die sociale verbanden worden met afschot aan flarden geschoten. Dat kan onmogelijk in het belang van het individuele dier worden genoemd. Het argument bij de Oostvaardersplassen-beheer is dat er een wezenlijk lager aantal geboortes plaats heeft indien niet wordt bijgevoerd in de winter, en daardoor op grote schaal afschieten van dieren wordt vermeden. De juistheid van dat argument vraagt om kennis en onderzoek. Hoe dan ook: in geval van bijvoeren eindigt het leven van veel dieren door de kogel, en blijven andere dieren uit diezelfde leefgemeenschap achter. Het lijkt mij niet makkelijk te beslissen of afschieten het welzijn van het individuele dier beter dient dan verhongeren. 

Tot slot: er is uiteraard discussie mogelijk over de vraag in welke mate in Nederland autonome natuur realistisch is. Een antwoord op die vraag is pas mogelijk nadat eerst informatie en ervaring verzameld wordt. En dat is juist wat er momenteel wordt gedaan in de Oostvaardersplassen. Zonder die informatie kunnen geen goede beslissingen worden genomen. Naruurbeheer waarbij medeleven met individuele dieren op basis van incidenten bij voorbaat de doorslag geeft lijkt in ieder geval het domst denkbare natuurbeheer. En dom natuurbeheer kunnen we ons niet veroorloven nu we voor de cruciale opdracht staan om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren. Juist in het financieel en kennisrijke, maar ook dichtbevolkte Nederland spelen die vragen scherp. Dat Nederland dichtbevolkt is, ontslaat Nederland allerminst om hierin eigen antwoorden te zoeken. In tegendeel. Wat nu in Nederland speelt, speelt vaak ook elders. Of, zal elders steeds meer gaan spelen. Denk aan Afrika, waar momenteel op enorme schaal natuurgebieden ('woeste gronden') worden omgezet in cultuurgronden, niet zelden met expertise van de Wageningen Universiteit. 

De dillema's over 'autonome  natuur' en 'ingenieurnatuur' leven wereldwijd. Nederland, dat al zo lang geleden vrijwel al het land cultiveerde, heeft de verantwoordelijkheid antwoorden te vinden op vragen die de biodiversiteit raken, ook -of juist- in mensdichtbevolkte gebieden. Daarom is het standpunt van de Dierenpartij zo vreemd nog niet. Maar één ding staat wel vast  Wankelmoedig openbaar bestuur bij natuurzaken dient achter ons gelaten te worden.