22 oktober 2018: PAS weg, wat nu? 

De signalen uit het ministerie worden steeds sterker dat nu al nagedacht wordt of de brokstukken van het PAS na 7 november wellicht deels weer aan elkaar gelijmd kunnen worden. Het antwoord op deze vraag is best eenvoudig. Dan dient eindelijk gedaan te worden wat in de afgelopen jaren is nagelaten, en waar MOB in 2010 al om vroeg.

In de Wet natuurbescherming en artikel 6 Habitatrichtlijn staat het belang van behoud van de beschermde natuurwaarden voorop. Dat lijkt logisch, maar blijkt voor veel openbaar bestuurders een onbegrijpelijke opdracht. De opdracht is toch heus goed te begrijpen: we horen dan te onderzoeken welke minimale ecologische omstandigheden nodig zijn om de natuurwaarden in leven te houden, en waar het vermoedelijke omslagpunt ligt dat er niks meer te behouden valt. En dan daar (tijdig !) naar te handelen.

Toegespitst op de stikstofschade is een deel van dat onderzoek al uitgevoerd. Voor veel natuurtypen is vastgesteld bij welke depositiewaarden een kritische grens dreigt te worden overschreden (de KDW-lijst, zie o.a. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000 , Alterra-rapport 2397). Maar dat is nog maar de helft van het verhaal. 

De andere helft is onderzoek naar de maximaal aanvaardbare termijn dat de betrokken natuurtypen kunnen worden overbelast met een depositiewaarde boven de KD-waarde. Met inbegrip van de schadebepaling afhankelijk van de de periode en ernst van de overschrijding van de KD-waarde. Een voorbeeld:  wat is de schade van 25 jaar depositie van gemiddeld 2500 mol (p.h.p.j)  op de Grijze duinen (kalkarm) type 2130B met een KD-waarde van 714 mol in Meijendel & Berkheide? Dit natuurgebied ligt toevallig op loopafstand van het ministerie en het Binnenhof...

Anders gezegd: hoe lang kunnen we doorgaan met de huidige schadelijke deposities totdat een omslagpunt nadert dat de natuurtypes het loodje leggen? Wat is de ernst van de schadecumulatie in tijd, en na hoeveel tijd dreigt die schade onomkeerbaar te worden? Het antwoord op deze onderzoeksvraag dient uiteraard een belangrijke factor te zijn bij het bepalen van het ambitieniveau. Treurig, maar waar: dit onderzoek is tot nu toe nauwelijks uitgevoerd. MOB heeft al in 2010 (!) op eigen kosten het ecologisch onderzoeksbureau B-ware gevraagd hier een literatuurstudie naar te doen, toegespitst op een natuurtype in de Groote Peel. De uitkomst van dat onderzoek is vervolgens aan provincie en ministerie aangeboden, maar er was weinig belangstelling ... 

Het PAS bestaat behalve uit een stikstofdepositieadministratie (Aerius) ook uit natuurherstelmaatregelen. Dat zijn veel incidentele maatregelen die hooguit een tijdelijk effect sorteren, zoals plaggen en maaien en daarom nooit een eindoplossing. Daarnaast wordt in sommige gevallen ook geprobeerd het grondwaterpeil te verhogen, waaronder in veengebieden. Dergelijke meer structurele maatregelen zullen een zeker positief effect hebben op het natuurbehoud. De regering stelde dat met die meer structurele maatregelen de robuustheid van de natuurtypen wordt versterkt, en daardoor de stikstofdepositieschade minder ernstig uitpakt. Dat is een zwaar omstreden stelling. En waarschijnlijk tenminste deels onjuist. Of, nog iets voorzichtiger gezegd: volstrekt onvoldoende onderbouwd. Het is niet of-of, maar en-en. Je kan niet zo maar zeggen dat waar het waterpeil beter op orde is, dan een veel te hoge stikstofdepositie geen serieus probleem meer is. Het omgekeerde is ongetwijfeld waar: waar zowel het waterpeil te laag is en ook te hoge stikstofdeposities optreden, daar zal het betrokken natuurtype (nog) sneller verdwijnen. Maar dat betekent niet dat het verhogen van het waterpeil een ecologische rechtvaardiging kan zijn om de stikstofdeposities tot in lengte van jaren amper te reduceren, zoals de regering met het PAS voor ogen had. Kortom, het is reuze mooi dat het waterpeil in een aantal gevallen wordt aangepast, maar dat ontneemt niet de plicht om daarnaast ook de deposities tijdig stevig te reduceren.

Het vergunningenbeleid voor stikstofdeposities dient afgestemd op de noodzaak hoe snel de depositieconcentraties dienen te zakken om de betrokken natuursoorten te behouden. MOB wil er graag op rekenen dat we nu eindelijk wel op een punt zijn gekomen dat het natuurbelang centraal staat bij het nu op te stellen natuurbeleid, en het vergunningenbeleid daarvan een afgeleide... 

22 oktober 2018: PAS weg, wat nu? 

De signalen uit het ministerie worden steeds sterker dat nu al nagedacht wordt of de brokstukken van het PAS na 7 november wellicht deels weer aan elkaar gelijmd kunnen worden. Het antwoord op deze vraag is best eenvoudig. Dan dient eindelijk gedaan te worden wat in de afgelopen jaren is nagelaten, en waar MOB in 2010 al om vroeg.

In de Wet natuurbescherming en artikel 6 Habitatrichtlijn staat het belang van behoud van de beschermde natuurwaarden voorop. Dat lijkt logisch, maar blijkt voor veel openbaar bestuurders een onbegrijpelijke opdracht. De opdracht is toch heus goed te begrijpen: we horen dan te onderzoeken welke minimale ecologische omstandigheden nodig zijn om de natuurwaarden in leven te houden, en waar het vermoedelijke omslagpunt ligt dat er niks meer te behouden valt. En dan daar (tijdig !) naar te handelen.

Toegespitst op de stikstofschade is een deel van dat onderzoek al uitgevoerd. Voor veel natuurtypen is vastgesteld bij welke depositiewaarden een kritische grens dreigt te worden overschreden (de KDW-lijst, zie o.a. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000 , Alterra-rapport 2397). Maar dat is nog maar de helft van het verhaal. 

De andere helft is onderzoek naar de maximaal aanvaardbare termijn dat de betrokken natuurtypen kunnen worden overbelast met een depositiewaarde boven de KD-waarde. Met inbegrip van de schadebepaling afhankelijk van de de periode en ernst van de overschrijding van de KD-waarde. Een voorbeeld:  wat is de schade van 25 jaar depositie van gemiddeld 2500 mol (p.h.p.j)  op de Grijze duinen (kalkarm) type 2130B met een KD-waarde van 714 mol in Meijendel & Berkheide? Dit natuurgebied ligt toevallig op loopafstand van het ministerie en het Binnenhof...

Anders gezegd: hoe lang kunnen we doorgaan met de huidige schadelijke deposities totdat een omslagpunt nadert dat de natuurtypes het loodje leggen? Wat is de ernst van de schadecumulatie in tijd, en na hoeveel tijd dreigt die schade onomkeerbaar te worden? Het antwoord op deze onderzoeksvraag dient uiteraard een belangrijke factor te zijn bij het bepalen van het ambitieniveau. Treurig, maar waar: dit onderzoek is tot nu toe nauwelijks uitgevoerd. MOB heeft al in 2010 (!) op eigen kosten het ecologisch onderzoeksbureau B-ware gevraagd hier een literatuurstudie naar te doen, toegespitst op een natuurtype in de Groote Peel. De uitkomst van dat onderzoek is vervolgens aan provincie en ministerie aangeboden, maar er was weinig belangstelling ... 

Het PAS bestaat behalve uit een stikstofdepositieadministratie (Aerius) ook uit natuurherstelmaatregelen. Dat zijn veel incidentele maatregelen die hooguit een tijdelijk effect sorteren, zoals plaggen en maaien en daarom nooit een eindoplossing. Daarnaast wordt in sommige gevallen ook geprobeerd het grondwaterpeil te verhogen, waaronder in veengebieden. Dergelijke meer structurele maatregelen zullen een zeker positief effect hebben op het natuurbehoud. De regering stelde dat met die meer structurele maatregelen de robuustheid van de natuurtypen wordt versterkt, en daardoor de stikstofdepositieschade minder ernstig uitpakt. Dat is een zwaar omstreden stelling. En waarschijnlijk tenminste deels onjuist. Of, nog iets voorzichtiger gezegd: volstrekt onvoldoende onderbouwd. Het is niet of-of, maar en-en. Je kan niet zo maar zeggen dat waar het waterpeil beter op orde is, dan een veel te hoge stikstofdepositie geen serieus probleem meer is. Het omgekeerde is ongetwijfeld waar: waar zowel het waterpeil te laag is en ook te hoge stikstofdeposities optreden, daar zal het betrokken natuurtype (nog) sneller verdwijnen. Maar dat betekent niet dat het verhogen van het waterpeil een ecologische rechtvaardiging kan zijn om de stikstofdeposities tot in lengte van jaren amper te reduceren, zoals de regering met het PAS voor ogen had. Kortom, het is reuze mooi dat het waterpeil in een aantal gevallen wordt aangepast, maar dat ontneemt niet de plicht om daarnaast ook de deposities tijdig stevig te reduceren.

Het vergunningenbeleid voor stikstofdeposities dient afgestemd op de noodzaak hoe snel de depositieconcentraties dienen te zakken om de betrokken natuursoorten te behouden. MOB wil er graag op rekenen dat we nu eindelijk wel op een punt zijn gekomen dat het natuurbelang centraal staat bij het nu op te stellen natuurbeleid, en het vergunningenbeleid daarvan een afgeleide...