European Commission
Head of Unit ENV.B1 – Agriculture, Forests & Soil

B - 1049 Brussels

Belgium

 

Nederland, Nijmegen, 26 maart 2018

Geachte mevrouw OLAZÁBAL,

Onderstaande organisaties verzoeken u beleefd om uw aandacht voor de volgende aangelegenheid.

Deze brief betreft de aanstaande beslissing over de NEDERLANDSE AANVRAAG voor een 6e DEROGATIE van de NITRAAT RICHTLIJN 91/676/EEG en wordt u toegezonden namens de volgende organisaties, allen gevestigd te Nederland.

- Vereniging Leefmilieu, gevestigd te Nijmegen, provincie Gelderland

- Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen, prov. Gelderland

- Stichting Openbare Ruimte, gevestigd te Amsterdam, provincie Noord Holland

- Vereniging Leefmilieu Veghel-Erp, gevestigd te Veghel, provincie Noord Brabant

- Milieuvereniging Land van Cuijk, gevestigd te Mill en St Hubert, provincie Noord Brabant

- Stg. Leefbaar Buitengebied Gelderland, gevestigd te Oude IJsselstreek, prov. Gelderland

- Vereniging Behoud de Parel, gevestigd te Grubbenvorst, provincie Limburg

- Werkgroep Milieubeheer Groesbeek, gevestigd te Groesbeek

- stichting Werkgroep Behoud de Peel, gevestigd te Deurne, provincie Noord Brabant

- Mens, Dier & Peel, gevestigd te Gemert Bakel, provincie Noord Brabant

- Stichting Natuur en Milieu Aalten, gevestigd te Aalten, provincie Gelderland

 

De bovengenoemde organisaties wensen het volgende in te brengen met betrekking tot de aanstaande beslissing van de Europese Commissie over het beëindigen dan wel voorwaardelijk verlengen van een nieuwe Nederlandse derogatie van de Nitraatrichtlijn.

De Nitraatrichtlijn ziet toe op een voldoende waterkwaliteit als noodzakelijke voorwaarde voor de leefkwaliteit van mens, natuur en milieu. De belangen waar de Nitraatrichtlijn op ziet zijn essentieel voor herstel en behoud van de Nederlandse waterkwaliteit.

Bij brief van 23 januari 2017 is u eerder een brief over dit onderwerp gezonden.

Deze brief is als BIJLAGE bijgevoegd.

Sinds het verzenden van die brief hebben belangrijke nieuwe ontwikkelingen plaats gehad.

Nieuwe feiten met betrekking tot beoordeling verzoek 6e Nederlandse derogatie

Gegeven is dat de Nederlandse regering na 5 actieprogramma's met een totale looptijd van 20 jaar nog altijd niet voldoet aan de doelstelling van de Nitraatrichtlijn. Dat doet de vraag stellen of de derogatie in de Nederlandse situatie nog wel een doelmatig instrument is in het belang van de doelstelling van de Nitraatrichtlijn.

Ondergetekenden stellen dat de Nederlandse regering laakbaar nalatig optreedt in het bereiken van de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn.

Onlangs zijn daarvoor belangrijke nieuwe bewijzen beschikbaar gekomen.

U bent bekend met het gegeven dat Nederland het meest veedichte land van Europa is, waarbij sprake is van een uitzonderlijk omvangrijk mestoverschot. Het mestoverschot brengt mee dat een aanzienlijk deel van de Nederlandse mestproductie van de landbouwhuisdieren niet op de cultuurgronden uitgereden mogen worden. Met name niet-grondgebonden veeboeren (overwegend pluimvee- en varkenshouderijen) zouden thans aanzienlijke kosten moeten maken om zich van de mest te ontdoen. De kosten hiervoor verschillen overigens aanzienlijk per regio.

Krachtens Europees recht komt mest het predicaat 'afval' toe zodra veehouders zich daarvan ontdoen, al dan niet tegen een vergoeding van de wederpartij. Ondernemerschap wordt sterk beheerst door het maximaal reduceren van bedrijfskosten, met inbegrip van het zich tegen de laagst mogelijke kosten ontdoen van (mest-)afval.

Het uitrijden van mest op het land boven de derogatienorm blijkt voor veehouders een reëel alternatief om aanzienlijke kosten te vermijden voor de afvoer van overtollige mest. Het had op de weg van de Nederlandse regering gelegen om dit risico 20 jaar geleden in ernst te hebben onderzocht, en daarop passende maatregelen te nemen om illegale mestaanwending tot aan aanvaardbaar minimum te beperkt te houden. De Nederlandse regering heeft thans 20 jaar de tijd gehad om een passende en doelmatig handhavingsinstrument te ontwikkelen om de naleving van de mestaanwendingsnormen op orde te krijgen.

In Nederland staat het NRC Handelsblad bekend als één van de kwaliteitskranten, met ook investeringen in onderzoeksjournalistiek.

Op 10 november 2017 publiceert het NRC een uitgebreid onderzoek over mestfraude in Nederland onder de titel 'Het Mestcomplot'. Het NRC doet uitvoerig en toegankelijk verslag van een bedrijfscultuur die in de Nederlandse mestverwerking en -transport gangbaar is (geworden). Onder meer bestaat het onderzoek uit gespreksverslagen met mesttransporteurs en anderen die werkzaam zijn in de mestzaken en een -verifieerbaar- overzicht van malafide mesthandelaars en -transporteurs.

Op 20 december 2017 publiceert het NRC een vervolgartikel onder de kop:

'Minister Schouten komt met aanpak mestfraude'

Op 16 januari 2018 publiceert het NRC een vervolgartikel met de kop:

'Ministerie weet al sinds 2016 van grootschalige mestfraude'

Op 1 februari 2018 publiceert het NRC een vervolgartikel met de kop:

'Inval bij agrarisch bedrijf in Deurne vanwege mestfraude'

Op 28 februari 2018 publiceert het NRC een vervolgartikel met de kop:

'Opnieuw inval bij mesttransporteur'

Deze bevindingen van het NRC zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op overheidsdocumenten. De artikelen betreffen een kleine selectie van het totaal aantal gepubliceerde artikelen in het NRC over dit thema. De berichtgeving veronderstel ik in hoofdlijnen bekend, en is beschikbaar via www.nrc.nl/dossier/mestfraude/

Op 16 november 2017 schrijft de verantwoordelijke Minister namens de Nederlandse regering een brief aan de Tweede Kamer, hieronder integraal weergegeven.

33 037 Mestbeleid Nr. 230

BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 november 2017

De afgelopen dagen is door de media de ernst van mestfraude in de agrarische sector duidelijk in beeld gebracht. Ik vond de berichtgeving, en dan met name de voorbeelden die werden gegeven van hoe tot fraude wordt overgegaan, verontrustend. Dit geeft een beeld van een sector waarbij fraude onderdeel is van de cultuur. Dat is onacceptabel.

Maandagavond heb ik de betrokken sectororganisaties (LTO, Cumela, POV en Rabobank) dan ook op mijn departement uitgenodigd voor een gesprek. In dat gesprek heb ik aangegeven dat het beeld van fraude dat in de media wordt gegeven onaanvaardbaar is. Door frauduleus handelen wordt de milieukwaliteit en de inwinning van drinkwater in gevaar gebracht, maar ook wordt met name de sector zelf in diskrediet gebracht. De sector is verantwoordelijk voor een integere wijze van omgaan met het mestoverschot welke het logische gevolg van een grote veehouderijsector. Ik heb de ernst van de situatie benadrukt en aangegeven dat de sector zelf met een plan dient te komen om dit aan te pakken. Ik heb ze hiervoor tot half december 2017 gegeven.

De sector heeft onderstreept dat fraude ook voor hen ontoelaatbaar is en heeft ingestemd met het zelf opstellen van een plan van aanpak om orde op zaken te stellen in de sector. Ik zal u informeren over de voortgang op dit traject.

Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 14 november jl. (Kamerstuk 33 037, nr. 229) is uw Kamer sinds 2014 met enige regelmaat geïnformeerd over de aanpak van fraude bij mest. Inmiddels zijn de maatregelen, die in dit kader genomen zijn, geïmplementeerd. Als laatste maatregel is sinds 1 oktober 2017 verplicht gesteld om vaste mest (dikke fractie) te laten bemonsteren door een onafhankelijke monsternemer.

Tijdens de regeling van werkzaamheden van 14 november 2017 (Handelingen II 2017/18, nr. 21, Regeling van werkzaamheden) is gevraagd of er tijdens het AO zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn op 16 november 2017 in openheid gesproken kan worden over dit onderwerp vanwege lopend onderzoek door het Openbaar Ministerie. In het algemeen stel ik het op prijs om vrijuit van gedachten te wisselen over de ontstane situatie in de sector. Ik zal daarbij echter niet in kunnen gaan op individuele gevallen, met name die gevallen waar strafrechtelijk onderzoek zich op richt. 

Uit de brief kunnen twee belangrijke gegevens worden afgeleid.

  1. De Minister weerspreekt niet de bevindingen van het NRC Handelsblad.
  1. De brief van de Nederlandse regering wekt de indruk dat de NRC-publicatie voor de Minister nieuwe inzichten bevat. Immers, indien de Minister wel bekend zou zijn met de omvangrijke mestfraude, dan kan niet worden uitgelegd waarom de Nederlandse regering niet al veel eerder met gepaste maatregelen is gekomen.  

Later, op 20 december 2017 schrijft de verantwoordelijk Minister een brief met daarin concrete maatregelen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 33 037, I). Voor alle bedrijven in de mestsector wordt een kwaliteitskeurmerk en een gedragscode aangekondigd in combinatie met verscherpt toezicht met een ‘taskforce’ alsmede het schrappen van subsidies voor frauderende bedrijven.

Eerder (op 29 maart 2017) publiceerde het rijksonderzoeksbureau Planbureau voor de Leefomgeving 'Evaluatie Meststoffenwet 2016: Syntheserapport' Hieruit onderstaande passage (pagina 23):

Mestfraude mogelijke verklaring voor overschrijding nitraatdoel

In het zuidelijk zandgebied, met veel intensieve veehouderij en een hoge mestdruk, wordt meer dierlijke mest geplaatst dan mogelijk is binnen de wettelijke gebruiksnormen. Oftewel: de plaatsingsruimte voor dierlijke mest wordt daar overbenut. In 2014 wordt die overbenutting voor stikstof geschat op 4 tot 28 procent en voor fosfaat op 8 tot 29 procent. Bij het huidige gebruik van mest en mestscheidingsproducten kan die overbenutting leiden tot een extra nitraatuitspoeling van 5-30 milligram per liter.
Deze overbenutting en overschrijding van de nitraatnorm zijn een aanwijzing voor mest- fraude, het moedwillig minder afvoeren van mest dan wettelijk vereist en het bemesten boven de wettelijke gebruiksnorm. De aanwezigheid van mestfraude wordt ondersteund door de selecte bedrijfscontroles door NVWA in 2014, waar bij circa 10 procent van de bedrijven overschrijding van één of meer gebruiksnormen is vastgesteld.
Een andere aanwijzing voor mestfraude is dat de stikstof-fosfaatverhoudingen in getransporteerde dierlijke mest volgens de mestbonnen (VDM’s) aanzienlijk lager zijn dan in aangewende mest volgens gehaltes zoals gebruikt in het bemestingsadvies. Dit suggereert dat er op papier meer fosfaat is afgevoerd dan in de praktijk. 

Het bestaan van omvangrijke mestfraude blijkt geen nieuw gegeven.

Het PBL (pagina 26) noemt dat in 2014 deze signalen bestonden:

 

De aanwezigheid van mestfraude wordt ondersteund door de selecte bedrijfscontroles door NVWA in 2014, waar bij circa 10 procent van de bedrijven overschrijding van één of meer gebruiksnormen is vastgesteld. 

En, uit de brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 15 juni 2017 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 33 037, nr. 216):

 

 

Vraag 7

Er wordt verwezen naar uitspraken van sectorvertegenwoordigers in de landbouwsector dat 30% tot 40% van de mest niet volgens de regels wordt verhandeld. Is een analyse te maken op basis waarvan deze uitspraken gedaan zijn en ligt er een feitelijke onderbouwing aan deze uitspraken?Antwoord
Het percentage van 30% tot 40% voert terug op een artikel van Boerderij uit 2014 en heeft betrekking op illegale verhandeling en dumping van mest in Zuidoost-Nederland. 

In bovengenoemde brief van 15 juni 2017 aan de Tweede Kamer wordt ook geschreven:

3 Schattingen van mestfraude
3.1 Schattingen van mestfraude in Nederland

Vraag 5
Welke schattingen naar de omvang van mestfraude zijn beschikbaar?Antwoord
Volgens verschillende onderzoeken is de omvang van de fraude niet in beeld te brengen. Ook de Staatssecretaris van EZ schrijft dat de omvang niet bekend is.

Toelichting
Welke schattingen zijn beschikbaar naar de omvang van mestfraude in heel Nederland?
WUR, RIVM, Deltares en CBS (2017) schrijven dat de grootte van de fraude op basis van de beschikbare informatie niet in beeld te brengen is. «Deze is administratief verborgen (door het op papier kloppend te maken met de administratie)». Ook in een belevingsonderzoek van WUR (2016) staat dat de omvang van fraude onbekend is. In het onderzoeksrapport staat wel dat de voor het onderzoek geënquêteerde ondernemers het waarschijnlijk achten dat het huidige mestbeleid fraude in de hand werkt. En dat ze mestfraude als probleem ervaren met serieuze negatieve effecten voor het mestbeleid.
Voormalig Staatssecretaris Dijksma zei in 2015 in een algemeen overleg dat ze geen percentages van mestfraude in beeld heeft, maar dat ze wel een steeds beter beeld heeft van de manieren waarop de fraude plaatsvindt. Ook Staatssecretaris Van Dam schreef onlangs aan de Kamer dat de exacte omvang van de fraude niet bekend is, doordat dit door onjuiste opgaven van de ondernemer administratief verborgen is en niet tot uiting komt in de database van RVO.nl.

Kortom, meldingen over omvangrijke mestfraude circuleren zijn reeds jaren bekend.

Maar, ernstiger is de erkenning dat geen inzicht bestaat in de omvang van de fraude (!)

Dit roept de prangende vraag op: hoe kan het zijn dat de Nederlandse regering gedurende het inmiddels 20 jarige tijdbestek van de derogatie geen boodschap heeft gehad aan inzicht in de omvang van de mestfraude? Het ontbreken van inzicht in de naleving getuigt allerminst van een loyale uitvoering van de Nitraatrichtlijnverplichtingen.  

Zesde Nederlandse actieprogramma

Uw Commissie heeft kennis kunnen nemen van het Zesde Nederlandse actieprogramma betreffende de Nitraatrichtlijn (2018 - 2021), en hetgeen daarin wordt verklaard over de mestfraude. De Nederlandse regering verklaart (pag. 70):

7. Uitvoering en handhaving 

7.1 Naleving mestwetgeving

De Nederlandse mestmarkt kenmerkt zich door een overschot aan dierlijke mest. Door de beperking in het gebruik van mest als gevolg van wettelijke gebruiksnormen en gebruiksvoorschriften moeten veel mestproducenten een aanzienlijk deel van hun mest verwerken. Afvoer van dierlijke mest is in veel gevallen als gevolg van de hoge transport - en verwerkingskosten een aanzienlijke kostenpost.Er zijn de in de voorgaande actieprogramma’s tal van maatregelen genomen door aanscherping van de gebruiksnormen en gebruiksvoorschriften. In het voorliggende actieprogramma is verbetering van de naleving van die regels uit de mestwetgeving een speerpunt.In het zesde actieprogramma richt de handhaving zich in het bijzonder op gebieden/regio’s met een hoge mestproductie ten opzichte van de plaatsingsruimte en waar bovendien de waterkwaliteit achterblijft. Dit met het doel om de negatieve invloed op de waterkwaliteit door overbenutting van mest weg te nemen. Een risicogerichte aanpak is ook noodzakelijk om de handhavingscapaciteit zo effectief mogelijk in te zetten. Het zesde actieprogramma voorziet naast handhaving ook in activiteiten die de naleving van de mestwetgeving bevorderen.7.2 De inzet van het instrumentarium voor versterking van de naleving
Aan de versterking van de naleving wordt door de handhavende instanties (de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) gewerkt langs twee sporen:
1. Handhaving van mestregelgeving

a)      Controle en handhaving is vooral risicogericht op basis waarvan controles worden uitgevoerd. 
De handhaving is ook gebiedsgericht op die situaties waar verbetering van de waterkwaliteit achterblijft of afneemt door het vermoeden dat aanwending van mest boven de gebruiksnorm plaatsvindt. Hier worden voor het gebied specifieke maatregelen genomen. Verder wordt prioriteit gegeven aan risicovolle schakels in de mestketen zoals intermediairs. De inzet van de handhavingscapaciteit wordt binnen de beschikbare capaciteit op deze twee speerpunten geïntensiveerd. 


b)     Bij de handhaving worden eigentijdse methoden van informatietechnologie verder ontwikkeld en geïntroduceerd: mesttransporten over de weg en mesttoedieningsapparatuur moeten worden voorzien van GPS-tracking en sensortechnologie om de het gebruik van mest te controleren en real time te monitoren. Deze informatie maakt het voor handhavers mogelijke om enerzijds gericht op controle te gaan en anderzijds om in het veld direct te kunnen zien of de gebruiker de mestgift correct verantwoordt. 


c)      Bij handhaving wordt voor zover mogelijk de samenwerking met andere rijks- en regionale toezichthouders geïntensiveerd, ook in gezamenlijkheid met de DAWZ. 
 

d)     De introductie van onafhankelijke monstername van vaste mest (dikke fractie) is een belangrijke eerder genomen maatregel die per 1 oktober 2017 van kracht is geworden en waarvan in de periode van het zesde actieprogramma de vruchten geplukt kunnen worden. Met deze maatregel wordt voorkomen dat mestmonsters van dikke fractie gemanipuleerd worden. Ondernemers verantwoorden deze hoge waarden dan administratief als verwerkt en afgevoerd van het bedrijf terwijl de mest daadwerkelijk op eigen het land wordt gebracht of illegaal in de omgeving gebruikt.

e)      Per 1 januari 2017 zijn ook transportmiddelen bij vervoer van bewerkte vaste mest over de grens voorzien zijn van het AGR/GPS systeem zodat beter door de handhavende instanties gecontroleerd kan worden of de verantwoording van de mestverwerking in de vorm van export zorgvuldig plaatsvindt en de mest ook daadwerkelijk is geëxporteerd. 


f)      De inzet is om de mestregelgeving voor transport zodanig te vereenvoudigen, daardoor het aantal uitzonderingen te verminderen en de naleving en handhaafbaarheid van de regelgeving te bevorderen. 


g)      Er is aandacht voor aan- en afvoer van dierlijke mest met extreem hoge waarden stikstof en/of fosfaat.2. Naleving stimuleren.
Met vertegenwoordigers van de landbouwsector worden in het kader van het zesde actieprogramma afspraken gemaakt waar de sector zelf aanvullend op het wettelijk kader de naleving bevordert.

a.      Wanneer de sector zelf geborgde systemen heeft ingericht waarmee de nutriënten verantwoord 
kunnen worden dan wordt dit gezien als een lager risico en krijgen de deelnemers aan deze 
private verantwoordingssystemen een lagere prioriteit in de publieke handhaving. 


b.      Sector en overheid werken samen aan verbetering van de naleving. Overeengekomen wordt 
welke activiteiten sectororganisaties en overheid samen ondernemen. Over die benadering gaan we de actief en intensief de dialoog aan. De activiteiten gaan over verbetering van zowel de naleefbaarheid als de handhaafbaarheid. 
Als gevolg van berichtgeving in de media over mestfraude in Nederland hebben de betrokken sectorpartijen op verzoek van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een plan van aanpak opgesteld om fraude binnen de sector aan te pakken. Dit plan van aanpak is op
21 december 2017 aan de Tweede Kamer aangeboden. Daarin geeft de sector onder andere aan in te zetten op het stimuleren van gedragsverandering, een privaat geborgd certificeringssysteem en een verdere digitalisering en borging van informatiestromen.

7.3 Prioritering van toezicht
De mestregelgeving is complex en vereist veel capaciteit om toezicht te houden op de naleving. De noodzaak om toezicht te houden is niet overal even groot. De beschikbare toezicht en handhavingscapaciteit wordt daarom zo veel mogelijk risicogericht ingezet.Prioriteit
De schade aan het milieu door onvoldoende naleving en gebruik van dierlijke mest boven de gebruiksnorm lijkt verband te houden met onvoldoende toenemende waterkwaliteit in bepaalde gebieden met intensieve veehouderij en het gedrag van sommige intermediairs met hun afnemers. Deze gebieden en intermediairs vertegenwoordigen een hoog risico voor de waterkwaliteit en krijgen hoge prioriteit bij toezicht en handhaving.Posterioriteit
Initiatieven vanuit de sector die potentieel in aanmerking komen voor een lagere prioriteit in het kader van toezicht en handhaving zijn: bedrijven die aantoonbaar en geborgd op een verantwoorde wijze met mest omgegaan, online en real time verantwoording van N- en P-stromen waarmee de noodzaak voor fysieke controle afneemt. 

Deze verklaring van de Nederlandse regering getuigt naar oordeel van ondergetekenden ongewijzigd van een schromelijk gebrek aan ambitie om de normering van de mestaanwending alsnog serieus ter hand te nemen. Een verklaring voor het langdurig stilzitten in de voorbije periode ontbreekt. Van enig inzicht in het geschonden rechtsvertrouwen wordt geen blijk gegeven. Een voldoende basis om tot een duurzaam vertrouwensherstel te kunnen komen kan niet worden aangetroffen. Waarom zou de Nederlandse regering nu wel doen wat al 20 jaar op haar weg lag, maar tot op heden is nagelaten? Wat zijn de verklaringen van de Nederlandse regering nog waard als de publicaties van het NRC opdrogen, en het thema minder in de schijnwerpers komt te staan?

Het 6e Actieprogramma van de Nederlandse regering kan onmogelijk worden aanvaard als een voldoende reactie op langdurig stilzitten. Indien deze passage werkelijk zou volstaan als antwoord op de omvangrijke mestfraude dan dient te worden gevreesd voor het gezag van Europese wetgeving.

Gevolgen van de mestfraude voor de Nitraatrichtlijn niet onderzocht

Uit zowel de publicaties van de rijksoverheid als uit het onderzoek van NRC Handelsblad blijkt dat een belangrijk gevolg van de mestfraude omvat het uitrijden van mest op cultuurgronden, met als gevolg een aanzienlijke inbreuk op de geldende Europeesrechtelijke normen.

Nu de Nederlandse geen inzicht heeft in de omvang van de fraude bestaat onvermijdelijk evenmin inzicht in de gevolgen van de mestfraude voor de naleving van de eisen van de Nitraatrichtlijn. Dat enkele gegeven staat reeds in de weg aan het kunnen verlenen van een 6e derogatie aan de Nederlandse regering.

Mestfraude geen incident

De mestfraude staat niet op zichzelf. De Nederlandse regering faalt structureel in haar verantwoordelijk voor toezicht op de naleving van milieuregels. Ter onderbouwing wordt gewezen op de publicatie Naleeftekorten bij luchtwassers in de intensieve veehouderij

Effect op emissie(-reductie) van ammoniak (RIVM briefrapport 609021121/2012 J. Vonk et al.) (BIJLAGE)

 Uit dat rapport de volgende passage (conclusies): 

Conclusies

In het onderzoek van Handhavingsamenwerking Noord-Brabant bleek bij 85% van de luchtwassers sprake te zijn van een naleeftekort. Het onderzoek van ILT (72% naleeftekort) bevestigt op landelijke schaal ruwweg dit beeld. In Noord- Brabant was in 40% van de gevallen de luchtwasser afwezig of stond uit. Daarnaast werd bij 45% één of meerdere tekortkomingen geconstateerd, ingeschat is dat een derde hiervan invloed hebben op de emissiereductie en deze dan halveert. Dit betekent dat bijna de helft (47,5%) van de potentiële emissiereductie door luchtwassers bij stallen, mogelijk niet wordt gerealiseerd.De veronderstelde emissiereductie door luchtwassers in de intensieve veehouderij, is toegenomen van 3 kiloton in 2008 tot 5 kiloton in 2010. Voor het overgrote deel is de reductie afkomstig uit de varkenshouderij, waar de implementatiegraad in deze periode gestegen is van onder de 15 tot meer dan 20% van de dierplaatsen. Op de totale ammoniakemissie vertaalt zich dit in een reductie van 2,7% in 2008 oplopend tot 4,5% in 2010.Met een berekende emissiereductie van 5 kiloton over 2010 leiden de geconstateerde naleeftekorten in dat jaar mogelijk tot een 2,5 kiloton hogere ammoniakemissie. 

Noodzakelijk beleid

De bestaande mestfraude is het gevolg van langdurig stilzitten door de Nederlandse overheid. Als gevolg daarvan is een bedrijfscultuur ontstaan, die enkel met krachtige ambities gekeerd kan worden. In het 6e actieprogramma ontbreekt voldoende concrete maatregelen om de mestfraude aan te pakken. Het 6e actieprogramma onderscheidt zich nauwelijks van de eerdere actieprgramma's.

Indieners van deze brief stellen zich tevens op het standpunt dat uitsluitend dan een loyale uitvoering van de plichten van de Nitraatrichtlijn mogelijk wordt indien in Nederland de veemestproductie ingrijpend wordt beperkt. Daaruit volgt dat een krimp van de Nederlandse veestapel een noodzakelijk onderdeel dient te vormen van het Nederlandse beleid.

Samenvatting / conclusie

Nederland geniet reeds 20 jaar een ontheffing (derogatie) van de normen voor waterkwaliteit krachtens de Nitraatrichtlijn. Die ontheffing is mogelijk op voorwaarde dat Nederland een actieprogramma overlegt en daarmee ambitieus en loyaal werkt aan het bereiken van de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn.

Nederland is het meest veedichte land van Europa, daarmee is sprake van een uitzonderlijk groot mestoverschot. De intensieve (zo niet: excessieve) bemesting van cultuurgronden is een belangrijke oorzaak van de aangetaste grondwaterkwaliteit.

Veehouders zijn gebonden aan normen voor het uitrijden van mest. De Nederlandse overheid is verantwoordelijk voor toezicht op naleving van die normen.

De mestaanwendingsnormering krachtens de Nitraatrichtlijn dient - gegeven het uitzonderlijk grote Nederlandse mestoverschot - bij voorbaat als ernstig fraudegevoelig te worden herkend.

De Nederlandse regering heeft 20 jaar de tijd heeft gehad om een doelmatig handhavingsinstrument te ontwikkelen.

Het NRC Handelsblad bericht medio november 2017 over ernstige mestfraude. Er blijken al jaren berichten te circuleren over ernstige mestfraude. De verantwoordelijke Minister verklaart hierop geen inzicht te hebben in de omvang van de fraude, ondanks aanhoudende signalen dat al lange tijd sprake is van omvangrijke mestfraude. De Nederlandse regering blijkt structureel geen verantwoordelijkheid te nemen voor toezicht op de naleving van de geldende normen.

De schrijvers van deze brief concluderen dat de Nederlandse regering tekort schiet in een loyale uitvoering geven aan de Nitraatrichtlijn. Bovendien ontbreken in het 6e actieprogramma overtuigende aanknopingspunten dat de Nederland nu wel loyaal gaat werken aan de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn. Onder meer de mogelijke noodzaak van een krimp van de veestapel is tot op heden zelfs geen onderwerp van debat, laat staan onderwerp van onderzoek.

Het voorgaande doet de vraag stellen of de derogatie voor Nederland nog wel een doelmatig instrument is om de doelstelling van de Nitraatrichtlijn te realiseren. U wordt in overweging gegeven die vraag negatief te beantwoorden en de gevraagde derogatie in het belang van de Nederlandse bodem- en waterkwaliteitseisen te weigeren.

Wij zijn uiteraard beschikbaar voor een nadere toelichting.

Namens Mobilisation for the Environment en medeondertekenaars van deze brief,

Dank voor uw aandacht.

Hoogachtend,

drs. ing. Johan G. Vollenbroek

 

Kopie:

- Minister van Landbouw mw. C. Schouten, Postbus 20401 2500 EK Den Haag

Bijlagen

- brief MOB e.a. Final derogation Nitrates Directive d.d. 23 januari 2017

- Naleeftekorten bij luchtwassers in de intensieve veehouderij, Effect op emissie(-reductie) van ammoniak (RIVM briefrapport 609021121/2012 J. Vonk et al.)

 

 

European Commission
Head of Unit ENV.B1 – Agriculture, Forests & Soil

B - 1049 Brussels

Belgium

 

Nederland, Nijmegen, 26 maart 2018

Geachte mevrouw OLAZÁBAL,

Onderstaande organisaties verzoeken u beleefd om uw aandacht voor de volgende aangelegenheid.

Deze brief betreft de aanstaande beslissing over de NEDERLANDSE AANVRAAG voor een 6e DEROGATIE van de NITRAAT RICHTLIJN 91/676/EEG en wordt u toegezonden namens de volgende organisaties, allen gevestigd te Nederland.

- Vereniging Leefmilieu, gevestigd te Nijmegen, provincie Gelderland

- Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen, prov. Gelderland

- Stichting Openbare Ruimte, gevestigd te Amsterdam, provincie Noord Holland

- Vereniging Leefmilieu Veghel-Erp, gevestigd te Veghel, provincie Noord Brabant

- Milieuvereniging Land van Cuijk, gevestigd te Mill en St Hubert, provincie Noord Brabant

- Stg. Leefbaar Buitengebied Gelderland, gevestigd te Oude IJsselstreek, prov. Gelderland

- Vereniging Behoud de Parel, gevestigd te Grubbenvorst, provincie Limburg

- Werkgroep Milieubeheer Groesbeek, gevestigd te Groesbeek

- stichting Werkgroep Behoud de Peel, gevestigd te Deurne, provincie Noord Brabant

- Mens, Dier & Peel, gevestigd te Gemert Bakel, provincie Noord Brabant

- Stichting Natuur en Milieu Aalten, gevestigd te Aalten, provincie Gelderland

 

De bovengenoemde organisaties wensen het volgende in te brengen met betrekking tot de aanstaande beslissing van de Europese Commissie over het beëindigen dan wel voorwaardelijk verlengen van een nieuwe Nederlandse derogatie van de Nitraatrichtlijn.

De Nitraatrichtlijn ziet toe op een voldoende waterkwaliteit als noodzakelijke voorwaarde voor de leefkwaliteit van mens, natuur en milieu. De belangen waar de Nitraatrichtlijn op ziet zijn essentieel voor herstel en behoud van de Nederlandse waterkwaliteit.

Bij brief van 23 januari 2017 is u eerder een brief over dit onderwerp gezonden.

Deze brief is als BIJLAGE bijgevoegd.

Sinds het verzenden van die brief hebben belangrijke nieuwe ontwikkelingen plaats gehad.

Nieuwe feiten met betrekking tot beoordeling verzoek 6e Nederlandse derogatie

Gegeven is dat de Nederlandse regering na 5 actieprogramma's met een totale looptijd van 20 jaar nog altijd niet voldoet aan de doelstelling van de Nitraatrichtlijn. Dat doet de vraag stellen of de derogatie in de Nederlandse situatie nog wel een doelmatig instrument is in het belang van de doelstelling van de Nitraatrichtlijn.

Ondergetekenden stellen dat de Nederlandse regering laakbaar nalatig optreedt in het bereiken van de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn.

Onlangs zijn daarvoor belangrijke nieuwe bewijzen beschikbaar gekomen.

U bent bekend met het gegeven dat Nederland het meest veedichte land van Europa is, waarbij sprake is van een uitzonderlijk omvangrijk mestoverschot. Het mestoverschot brengt mee dat een aanzienlijk deel van de Nederlandse mestproductie van de landbouwhuisdieren niet op de cultuurgronden uitgereden mogen worden. Met name niet-grondgebonden veeboeren (overwegend pluimvee- en varkenshouderijen) zouden thans aanzienlijke kosten moeten maken om zich van de mest te ontdoen. De kosten hiervoor verschillen overigens aanzienlijk per regio.

Krachtens Europees recht komt mest het predicaat 'afval' toe zodra veehouders zich daarvan ontdoen, al dan niet tegen een vergoeding van de wederpartij. Ondernemerschap wordt sterk beheerst door het maximaal reduceren van bedrijfskosten, met inbegrip van het zich tegen de laagst mogelijke kosten ontdoen van (mest-)afval.

Het uitrijden van mest op het land boven de derogatienorm blijkt voor veehouders een reëel alternatief om aanzienlijke kosten te vermijden voor de afvoer van overtollige mest. Het had op de weg van de Nederlandse regering gelegen om dit risico 20 jaar geleden in ernst te hebben onderzocht, en daarop passende maatregelen te nemen om illegale mestaanwending tot aan aanvaardbaar minimum te beperkt te houden. De Nederlandse regering heeft thans 20 jaar de tijd gehad om een passende en doelmatig handhavingsinstrument te ontwikkelen om de naleving van de mestaanwendingsnormen op orde te krijgen.

In Nederland staat het NRC Handelsblad bekend als één van de kwaliteitskranten, met ook investeringen in onderzoeksjournalistiek.

Op 10 november 2017 publiceert het NRC een uitgebreid onderzoek over mestfraude in Nederland onder de titel 'Het Mestcomplot'. Het NRC doet uitvoerig en toegankelijk verslag van een bedrijfscultuur die in de Nederlandse mestverwerking en -transport gangbaar is (geworden). Onder meer bestaat het onderzoek uit gespreksverslagen met mesttransporteurs en anderen die werkzaam zijn in de mestzaken en een -verifieerbaar- overzicht van malafide mesthandelaars en -transporteurs.

Op 20 december 2017 publiceert het NRC een vervolgartikel onder de kop:

'Minister Schouten komt met aanpak mestfraude'

Op 16 januari 2018 publiceert het NRC een vervolgartikel met de kop:

'Ministerie weet al sinds 2016 van grootschalige mestfraude'

Op 1 februari 2018 publiceert het NRC een vervolgartikel met de kop:

'Inval bij agrarisch bedrijf in Deurne vanwege mestfraude'

Op 28 februari 2018 publiceert het NRC een vervolgartikel met de kop:

'Opnieuw inval bij mesttransporteur'

Deze bevindingen van het NRC zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op overheidsdocumenten. De artikelen betreffen een kleine selectie van het totaal aantal gepubliceerde artikelen in het NRC over dit thema. De berichtgeving veronderstel ik in hoofdlijnen bekend, en is beschikbaar via www.nrc.nl/dossier/mestfraude/

Op 16 november 2017 schrijft de verantwoordelijke Minister namens de Nederlandse regering een brief aan de Tweede Kamer, hieronder integraal weergegeven.

33 037 Mestbeleid Nr. 230

BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 november 2017

De afgelopen dagen is door de media de ernst van mestfraude in de agrarische sector duidelijk in beeld gebracht. Ik vond de berichtgeving, en dan met name de voorbeelden die werden gegeven van hoe tot fraude wordt overgegaan, verontrustend. Dit geeft een beeld van een sector waarbij fraude onderdeel is van de cultuur. Dat is onacceptabel.

Maandagavond heb ik de betrokken sectororganisaties (LTO, Cumela, POV en Rabobank) dan ook op mijn departement uitgenodigd voor een gesprek. In dat gesprek heb ik aangegeven dat het beeld van fraude dat in de media wordt gegeven onaanvaardbaar is. Door frauduleus handelen wordt de milieukwaliteit en de inwinning van drinkwater in gevaar gebracht, maar ook wordt met name de sector zelf in diskrediet gebracht. De sector is verantwoordelijk voor een integere wijze van omgaan met het mestoverschot welke het logische gevolg van een grote veehouderijsector. Ik heb de ernst van de situatie benadrukt en aangegeven dat de sector zelf met een plan dient te komen om dit aan te pakken. Ik heb ze hiervoor tot half december 2017 gegeven.

De sector heeft onderstreept dat fraude ook voor hen ontoelaatbaar is en heeft ingestemd met het zelf opstellen van een plan van aanpak om orde op zaken te stellen in de sector. Ik zal u informeren over de voortgang op dit traject.

Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 14 november jl. (Kamerstuk 33 037, nr. 229) is uw Kamer sinds 2014 met enige regelmaat geïnformeerd over de aanpak van fraude bij mest. Inmiddels zijn de maatregelen, die in dit kader genomen zijn, geïmplementeerd. Als laatste maatregel is sinds 1 oktober 2017 verplicht gesteld om vaste mest (dikke fractie) te laten bemonsteren door een onafhankelijke monsternemer.

Tijdens de regeling van werkzaamheden van 14 november 2017 (Handelingen II 2017/18, nr. 21, Regeling van werkzaamheden) is gevraagd of er tijdens het AO zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn op 16 november 2017 in openheid gesproken kan worden over dit onderwerp vanwege lopend onderzoek door het Openbaar Ministerie. In het algemeen stel ik het op prijs om vrijuit van gedachten te wisselen over de ontstane situatie in de sector. Ik zal daarbij echter niet in kunnen gaan op individuele gevallen, met name die gevallen waar strafrechtelijk onderzoek zich op richt. 

Uit de brief kunnen twee belangrijke gegevens worden afgeleid.

  1. De Minister weerspreekt niet de bevindingen van het NRC Handelsblad.
  1. De brief van de Nederlandse regering wekt de indruk dat de NRC-publicatie voor de Minister nieuwe inzichten bevat. Immers, indien de Minister wel bekend zou zijn met de omvangrijke mestfraude, dan kan niet worden uitgelegd waarom de Nederlandse regering niet al veel eerder met gepaste maatregelen is gekomen.  

Later, op 20 december 2017 schrijft de verantwoordelijk Minister een brief met daarin concrete maatregelen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 33 037, I). Voor alle bedrijven in de mestsector wordt een kwaliteitskeurmerk en een gedragscode aangekondigd in combinatie met verscherpt toezicht met een ‘taskforce’ alsmede het schrappen van subsidies voor frauderende bedrijven.

Eerder (op 29 maart 2017) publiceerde het rijksonderzoeksbureau Planbureau voor de Leefomgeving 'Evaluatie Meststoffenwet 2016: Syntheserapport' Hieruit onderstaande passage (pagina 23):

Mestfraude mogelijke verklaring voor overschrijding nitraatdoel

In het zuidelijk zandgebied, met veel intensieve veehouderij en een hoge mestdruk, wordt meer dierlijke mest geplaatst dan mogelijk is binnen de wettelijke gebruiksnormen. Oftewel: de plaatsingsruimte voor dierlijke mest wordt daar overbenut. In 2014 wordt die overbenutting voor stikstof geschat op 4 tot 28 procent en voor fosfaat op 8 tot 29 procent. Bij het huidige gebruik van mest en mestscheidingsproducten kan die overbenutting leiden tot een extra nitraatuitspoeling van 5-30 milligram per liter.
Deze overbenutting en overschrijding van de nitraatnorm zijn een aanwijzing voor mest- fraude, het moedwillig minder afvoeren van mest dan wettelijk vereist en het bemesten boven de wettelijke gebruiksnorm. De aanwezigheid van mestfraude wordt ondersteund door de selecte bedrijfscontroles door NVWA in 2014, waar bij circa 10 procent van de bedrijven overschrijding van één of meer gebruiksnormen is vastgesteld.
Een andere aanwijzing voor mestfraude is dat de stikstof-fosfaatverhoudingen in getransporteerde dierlijke mest volgens de mestbonnen (VDM’s) aanzienlijk lager zijn dan in aangewende mest volgens gehaltes zoals gebruikt in het bemestingsadvies. Dit suggereert dat er op papier meer fosfaat is afgevoerd dan in de praktijk. 

Het bestaan van omvangrijke mestfraude blijkt geen nieuw gegeven.

Het PBL (pagina 26) noemt dat in 2014 deze signalen bestonden:

 

De aanwezigheid van mestfraude wordt ondersteund door de selecte bedrijfscontroles door NVWA in 2014, waar bij circa 10 procent van de bedrijven overschrijding van één of meer gebruiksnormen is vastgesteld. 

En, uit de brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 15 juni 2017 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 33 037, nr. 216):

 

 

Vraag 7

Er wordt verwezen naar uitspraken van sectorvertegenwoordigers in de landbouwsector dat 30% tot 40% van de mest niet volgens de regels wordt verhandeld. Is een analyse te maken op basis waarvan deze uitspraken gedaan zijn en ligt er een feitelijke onderbouwing aan deze uitspraken?Antwoord
Het percentage van 30% tot 40% voert terug op een artikel van Boerderij uit 2014 en heeft betrekking op illegale verhandeling en dumping van mest in Zuidoost-Nederland. 

In bovengenoemde brief van 15 juni 2017 aan de Tweede Kamer wordt ook geschreven:

3 Schattingen van mestfraude
3.1 Schattingen van mestfraude in Nederland

Vraag 5
Welke schattingen naar de omvang van mestfraude zijn beschikbaar?Antwoord
Volgens verschillende onderzoeken is de omvang van de fraude niet in beeld te brengen. Ook de Staatssecretaris van EZ schrijft dat de omvang niet bekend is.

Toelichting
Welke schattingen zijn beschikbaar naar de omvang van mestfraude in heel Nederland?
WUR, RIVM, Deltares en CBS (2017) schrijven dat de grootte van de fraude op basis van de beschikbare informatie niet in beeld te brengen is. «Deze is administratief verborgen (door het op papier kloppend te maken met de administratie)». Ook in een belevingsonderzoek van WUR (2016) staat dat de omvang van fraude onbekend is. In het onderzoeksrapport staat wel dat de voor het onderzoek geënquêteerde ondernemers het waarschijnlijk achten dat het huidige mestbeleid fraude in de hand werkt. En dat ze mestfraude als probleem ervaren met serieuze negatieve effecten voor het mestbeleid.
Voormalig Staatssecretaris Dijksma zei in 2015 in een algemeen overleg dat ze geen percentages van mestfraude in beeld heeft, maar dat ze wel een steeds beter beeld heeft van de manieren waarop de fraude plaatsvindt. Ook Staatssecretaris Van Dam schreef onlangs aan de Kamer dat de exacte omvang van de fraude niet bekend is, doordat dit door onjuiste opgaven van de ondernemer administratief verborgen is en niet tot uiting komt in de database van RVO.nl.

Kortom, meldingen over omvangrijke mestfraude circuleren zijn reeds jaren bekend.

Maar, ernstiger is de erkenning dat geen inzicht bestaat in de omvang van de fraude (!)

Dit roept de prangende vraag op: hoe kan het zijn dat de Nederlandse regering gedurende het inmiddels 20 jarige tijdbestek van de derogatie geen boodschap heeft gehad aan inzicht in de omvang van de mestfraude? Het ontbreken van inzicht in de naleving getuigt allerminst van een loyale uitvoering van de Nitraatrichtlijnverplichtingen.  

Zesde Nederlandse actieprogramma

Uw Commissie heeft kennis kunnen nemen van het Zesde Nederlandse actieprogramma betreffende de Nitraatrichtlijn (2018 - 2021), en hetgeen daarin wordt verklaard over de mestfraude. De Nederlandse regering verklaart (pag. 70):

7. Uitvoering en handhaving 

7.1 Naleving mestwetgeving

De Nederlandse mestmarkt kenmerkt zich door een overschot aan dierlijke mest. Door de beperking in het gebruik van mest als gevolg van wettelijke gebruiksnormen en gebruiksvoorschriften moeten veel mestproducenten een aanzienlijk deel van hun mest verwerken. Afvoer van dierlijke mest is in veel gevallen als gevolg van de hoge transport - en verwerkingskosten een aanzienlijke kostenpost.Er zijn de in de voorgaande actieprogramma’s tal van maatregelen genomen door aanscherping van de gebruiksnormen en gebruiksvoorschriften. In het voorliggende actieprogramma is verbetering van de naleving van die regels uit de mestwetgeving een speerpunt.In het zesde actieprogramma richt de handhaving zich in het bijzonder op gebieden/regio’s met een hoge mestproductie ten opzichte van de plaatsingsruimte en waar bovendien de waterkwaliteit achterblijft. Dit met het doel om de negatieve invloed op de waterkwaliteit door overbenutting van mest weg te nemen. Een risicogerichte aanpak is ook noodzakelijk om de handhavingscapaciteit zo effectief mogelijk in te zetten. Het zesde actieprogramma voorziet naast handhaving ook in activiteiten die de naleving van de mestwetgeving bevorderen.7.2 De inzet van het instrumentarium voor versterking van de naleving
Aan de versterking van de naleving wordt door de handhavende instanties (de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) gewerkt langs twee sporen:
1. Handhaving van mestregelgeving

a)      Controle en handhaving is vooral risicogericht op basis waarvan controles worden uitgevoerd. 
De handhaving is ook gebiedsgericht op die situaties waar verbetering van de waterkwaliteit achterblijft of afneemt door het vermoeden dat aanwending van mest boven de gebruiksnorm plaatsvindt. Hier worden voor het gebied specifieke maatregelen genomen. Verder wordt prioriteit gegeven aan risicovolle schakels in de mestketen zoals intermediairs. De inzet van de handhavingscapaciteit wordt binnen de beschikbare capaciteit op deze twee speerpunten geïntensiveerd. 


b)     Bij de handhaving worden eigentijdse methoden van informatietechnologie verder ontwikkeld en geïntroduceerd: mesttransporten over de weg en mesttoedieningsapparatuur moeten worden voorzien van GPS-tracking en sensortechnologie om de het gebruik van mest te controleren en real time te monitoren. Deze informatie maakt het voor handhavers mogelijke om enerzijds gericht op controle te gaan en anderzijds om in het veld direct te kunnen zien of de gebruiker de mestgift correct verantwoordt. 


c)      Bij handhaving wordt voor zover mogelijk de samenwerking met andere rijks- en regionale toezichthouders geïntensiveerd, ook in gezamenlijkheid met de DAWZ. 
 

d)     De introductie van onafhankelijke monstername van vaste mest (dikke fractie) is een belangrijke eerder genomen maatregel die per 1 oktober 2017 van kracht is geworden en waarvan in de periode van het zesde actieprogramma de vruchten geplukt kunnen worden. Met deze maatregel wordt voorkomen dat mestmonsters van dikke fractie gemanipuleerd worden. Ondernemers verantwoorden deze hoge waarden dan administratief als verwerkt en afgevoerd van het bedrijf terwijl de mest daadwerkelijk op eigen het land wordt gebracht of illegaal in de omgeving gebruikt.

e)      Per 1 januari 2017 zijn ook transportmiddelen bij vervoer van bewerkte vaste mest over de grens voorzien zijn van het AGR/GPS systeem zodat beter door de handhavende instanties gecontroleerd kan worden of de verantwoording van de mestverwerking in de vorm van export zorgvuldig plaatsvindt en de mest ook daadwerkelijk is geëxporteerd. 


f)      De inzet is om de mestregelgeving voor transport zodanig te vereenvoudigen, daardoor het aantal uitzonderingen te verminderen en de naleving en handhaafbaarheid van de regelgeving te bevorderen. 


g)      Er is aandacht voor aan- en afvoer van dierlijke mest met extreem hoge waarden stikstof en/of fosfaat.2. Naleving stimuleren.
Met vertegenwoordigers van de landbouwsector worden in het kader van het zesde actieprogramma afspraken gemaakt waar de sector zelf aanvullend op het wettelijk kader de naleving bevordert.

a.      Wanneer de sector zelf geborgde systemen heeft ingericht waarmee de nutriënten verantwoord 
kunnen worden dan wordt dit gezien als een lager risico en krijgen de deelnemers aan deze 
private verantwoordingssystemen een lagere prioriteit in de publieke handhaving. 


b.      Sector en overheid werken samen aan verbetering van de naleving. Overeengekomen wordt 
welke activiteiten sectororganisaties en overheid samen ondernemen. Over die benadering gaan we de actief en intensief de dialoog aan. De activiteiten gaan over verbetering van zowel de naleefbaarheid als de handhaafbaarheid. 
Als gevolg van berichtgeving in de media over mestfraude in Nederland hebben de betrokken sectorpartijen op verzoek van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een plan van aanpak opgesteld om fraude binnen de sector aan te pakken. Dit plan van aanpak is op
21 december 2017 aan de Tweede Kamer aangeboden. Daarin geeft de sector onder andere aan in te zetten op het stimuleren van gedragsverandering, een privaat geborgd certificeringssysteem en een verdere digitalisering en borging van informatiestromen.

7.3 Prioritering van toezicht
De mestregelgeving is complex en vereist veel capaciteit om toezicht te houden op de naleving. De noodzaak om toezicht te houden is niet overal even groot. De beschikbare toezicht en handhavingscapaciteit wordt daarom zo veel mogelijk risicogericht ingezet.Prioriteit
De schade aan het milieu door onvoldoende naleving en gebruik van dierlijke mest boven de gebruiksnorm lijkt verband te houden met onvoldoende toenemende waterkwaliteit in bepaalde gebieden met intensieve veehouderij en het gedrag van sommige intermediairs met hun afnemers. Deze gebieden en intermediairs vertegenwoordigen een hoog risico voor de waterkwaliteit en krijgen hoge prioriteit bij toezicht en handhaving.Posterioriteit
Initiatieven vanuit de sector die potentieel in aanmerking komen voor een lagere prioriteit in het kader van toezicht en handhaving zijn: bedrijven die aantoonbaar en geborgd op een verantwoorde wijze met mest omgegaan, online en real time verantwoording van N- en P-stromen waarmee de noodzaak voor fysieke controle afneemt. 

Deze verklaring van de Nederlandse regering getuigt naar oordeel van ondergetekenden ongewijzigd van een schromelijk gebrek aan ambitie om de normering van de mestaanwending alsnog serieus ter hand te nemen. Een verklaring voor het langdurig stilzitten in de voorbije periode ontbreekt. Van enig inzicht in het geschonden rechtsvertrouwen wordt geen blijk gegeven. Een voldoende basis om tot een duurzaam vertrouwensherstel te kunnen komen kan niet worden aangetroffen. Waarom zou de Nederlandse regering nu wel doen wat al 20 jaar op haar weg lag, maar tot op heden is nagelaten? Wat zijn de verklaringen van de Nederlandse regering nog waard als de publicaties van het NRC opdrogen, en het thema minder in de schijnwerpers komt te staan?

Het 6e Actieprogramma van de Nederlandse regering kan onmogelijk worden aanvaard als een voldoende reactie op langdurig stilzitten. Indien deze passage werkelijk zou volstaan als antwoord op de omvangrijke mestfraude dan dient te worden gevreesd voor het gezag van Europese wetgeving.

Gevolgen van de mestfraude voor de Nitraatrichtlijn niet onderzocht

Uit zowel de publicaties van de rijksoverheid als uit het onderzoek van NRC Handelsblad blijkt dat een belangrijk gevolg van de mestfraude omvat het uitrijden van mest op cultuurgronden, met als gevolg een aanzienlijke inbreuk op de geldende Europeesrechtelijke normen.

Nu de Nederlandse geen inzicht heeft in de omvang van de fraude bestaat onvermijdelijk evenmin inzicht in de gevolgen van de mestfraude voor de naleving van de eisen van de Nitraatrichtlijn. Dat enkele gegeven staat reeds in de weg aan het kunnen verlenen van een 6e derogatie aan de Nederlandse regering.

Mestfraude geen incident

De mestfraude staat niet op zichzelf. De Nederlandse regering faalt structureel in haar verantwoordelijk voor toezicht op de naleving van milieuregels. Ter onderbouwing wordt gewezen op de publicatie Naleeftekorten bij luchtwassers in de intensieve veehouderij

Effect op emissie(-reductie) van ammoniak (RIVM briefrapport 609021121/2012 J. Vonk et al.) (BIJLAGE)

 Uit dat rapport de volgende passage (conclusies): 

Conclusies

In het onderzoek van Handhavingsamenwerking Noord-Brabant bleek bij 85% van de luchtwassers sprake te zijn van een naleeftekort. Het onderzoek van ILT (72% naleeftekort) bevestigt op landelijke schaal ruwweg dit beeld. In Noord- Brabant was in 40% van de gevallen de luchtwasser afwezig of stond uit. Daarnaast werd bij 45% één of meerdere tekortkomingen geconstateerd, ingeschat is dat een derde hiervan invloed hebben op de emissiereductie en deze dan halveert. Dit betekent dat bijna de helft (47,5%) van de potentiële emissiereductie door luchtwassers bij stallen, mogelijk niet wordt gerealiseerd.De veronderstelde emissiereductie door luchtwassers in de intensieve veehouderij, is toegenomen van 3 kiloton in 2008 tot 5 kiloton in 2010. Voor het overgrote deel is de reductie afkomstig uit de varkenshouderij, waar de implementatiegraad in deze periode gestegen is van onder de 15 tot meer dan 20% van de dierplaatsen. Op de totale ammoniakemissie vertaalt zich dit in een reductie van 2,7% in 2008 oplopend tot 4,5% in 2010.Met een berekende emissiereductie van 5 kiloton over 2010 leiden de geconstateerde naleeftekorten in dat jaar mogelijk tot een 2,5 kiloton hogere ammoniakemissie. 

Noodzakelijk beleid

De bestaande mestfraude is het gevolg van langdurig stilzitten door de Nederlandse overheid. Als gevolg daarvan is een bedrijfscultuur ontstaan, die enkel met krachtige ambities gekeerd kan worden. In het 6e actieprogramma ontbreekt voldoende concrete maatregelen om de mestfraude aan te pakken. Het 6e actieprogramma onderscheidt zich nauwelijks van de eerdere actieprgramma's.

Indieners van deze brief stellen zich tevens op het standpunt dat uitsluitend dan een loyale uitvoering van de plichten van de Nitraatrichtlijn mogelijk wordt indien in Nederland de veemestproductie ingrijpend wordt beperkt. Daaruit volgt dat een krimp van de Nederlandse veestapel een noodzakelijk onderdeel dient te vormen van het Nederlandse beleid.

Samenvatting / conclusie

Nederland geniet reeds 20 jaar een ontheffing (derogatie) van de normen voor waterkwaliteit krachtens de Nitraatrichtlijn. Die ontheffing is mogelijk op voorwaarde dat Nederland een actieprogramma overlegt en daarmee ambitieus en loyaal werkt aan het bereiken van de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn.

Nederland is het meest veedichte land van Europa, daarmee is sprake van een uitzonderlijk groot mestoverschot. De intensieve (zo niet: excessieve) bemesting van cultuurgronden is een belangrijke oorzaak van de aangetaste grondwaterkwaliteit.

Veehouders zijn gebonden aan normen voor het uitrijden van mest. De Nederlandse overheid is verantwoordelijk voor toezicht op naleving van die normen.

De mestaanwendingsnormering krachtens de Nitraatrichtlijn dient - gegeven het uitzonderlijk grote Nederlandse mestoverschot - bij voorbaat als ernstig fraudegevoelig te worden herkend.

De Nederlandse regering heeft 20 jaar de tijd heeft gehad om een doelmatig handhavingsinstrument te ontwikkelen.

Het NRC Handelsblad bericht medio november 2017 over ernstige mestfraude. Er blijken al jaren berichten te circuleren over ernstige mestfraude. De verantwoordelijke Minister verklaart hierop geen inzicht te hebben in de omvang van de fraude, ondanks aanhoudende signalen dat al lange tijd sprake is van omvangrijke mestfraude. De Nederlandse regering blijkt structureel geen verantwoordelijkheid te nemen voor toezicht op de naleving van de geldende normen.

De schrijvers van deze brief concluderen dat de Nederlandse regering tekort schiet in een loyale uitvoering geven aan de Nitraatrichtlijn. Bovendien ontbreken in het 6e actieprogramma overtuigende aanknopingspunten dat de Nederland nu wel loyaal gaat werken aan de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn. Onder meer de mogelijke noodzaak van een krimp van de veestapel is tot op heden zelfs geen onderwerp van debat, laat staan onderwerp van onderzoek.

Het voorgaande doet de vraag stellen of de derogatie voor Nederland nog wel een doelmatig instrument is om de doelstelling van de Nitraatrichtlijn te realiseren. U wordt in overweging gegeven die vraag negatief te beantwoorden en de gevraagde derogatie in het belang van de Nederlandse bodem- en waterkwaliteitseisen te weigeren.

Wij zijn uiteraard beschikbaar voor een nadere toelichting.

Namens Mobilisation for the Environment en medeondertekenaars van deze brief,

Dank voor uw aandacht.

Hoogachtend,

drs. ing. Johan G. Vollenbroek

 

Kopie:

- Minister van Landbouw mw. C. Schouten, Postbus 20401 2500 EK Den Haag

Bijlagen

- brief MOB e.a. Final derogation Nitrates Directive d.d. 23 januari 2017

- Naleeftekorten bij luchtwassers in de intensieve veehouderij, Effect op emissie(-reductie) van ammoniak (RIVM briefrapport 609021121/2012 J. Vonk et al.)